PDD-NOS

Pervasieve ontwikkelingsstoornis, niet anders omschreven (Pervasive Developmental Disorder – Not Otherwise Specified) maakt deel uit van het autismespectrum. PDD-nos is een verzamelnaam voor symptomen die niet onder andere stoornissen (zoals Klassiek Autisme of Asperger) te plaatsen zijn. De symptomen voldoen niet aan de criteria van andere vormen van autisme. Bij iemand met PDD-nos kunnen verschillende kenmerken op de voorgrond staan, bijvoorbeeld die van autisme of van ADHD. Bij PDD-nos lopen de symptomen in vorm en intensiteit sterk uiteen, hierdoor zijn geen harde criteria gesteld aan deze stoornis. Wel worden er richtlijnen gehanteerd, zo moeten er tekortkomingen aanwezig zijn in de communicatieve vaardigheden en/of is er sprake van stereotiep gedrag.

WIE BEPAALT OF JE AUTISME HEBT?

Al op jonge leeftijd, vanaf een jaar of drie, kan worden vastgesteld of iemand autisme heeft. Om een diagnose autisme vast te stellen wordt als basis de eerder genoemde DSM-V gebruikt, een naslagwerk bij psychische stoornissen. Er wordt een algemeen beeld van de situatie geschetst waarin verschillende aspecten worden besproken zoals de taalontwikkeling, de vroegkinderlijke ontwikkeling, het cognitief functioneren, de medische voorgeschiedenis, zelfredzaamheid, motorische vaardigheden, sociaal-emotioneel functioneren en stereotiep gedrag.

Naast het verzamelen van deze informatie, wat meestal gebeurt in een gesprek, worden er vaak vragenlijsten ingevuld. Ook kan er onderzoek worden gedaan bij het kind. Hierbij worden diverse testen afgenomen en bekeken hoe het kind reageert in diverse situaties en wat de sterke en zwakke kanten zijn. Tijdens dit onderzoek kunnen observaties worden gedaan. Ook kunnen observaties worden gedaan in de schoolse- of thuissituatie.

Door al de informatie te bundelen wordt een zo volledig mogelijk beeld gevormd van het kind en de situatie. Dit is van belang omdat goed moet worden gekeken of er sprake is van autisme of dat het een andere stoornis zou kunnen zijn. De persoon die de diagnose geeft is een GZ-psycholoog, (kinder- en jeugd)psychiater, kinder- en jeugdpsycholoog of een OG (erthopedagoog-generalist)gespecialiseerde pedagoog.

WIE BEPAALT OF JE AUTISME HEBT?

Al op jonge leeftijd, vanaf een jaar of drie, kan worden vastgesteld of iemand autisme heeft. Om een diagnose autisme vast te stellen wordt als basis de eerder genoemde DSM-V gebruikt, een naslagwerk bij psychische stoornissen. Er wordt een algemeen beeld van de situatie geschetst waarin verschillende aspecten worden besproken zoals de taalontwikkeling, de vroegkinderlijke ontwikkeling, het cognitief functioneren, de medische voorgeschiedenis, zelfredzaamheid, motorische vaardigheden, sociaal-emotioneel functioneren en stereotiep gedrag.

Naast het verzamelen van deze informatie, wat meestal gebeurt in een gesprek, worden er vaak vragenlijsten ingevuld. Ook kan er onderzoek worden gedaan bij het kind. Hierbij worden diverse testen afgenomen en bekeken hoe het kind reageert in diverse situaties en wat de sterke en zwakke kanten zijn. Tijdens dit onderzoek kunnen observaties worden gedaan. Ook kunnen observaties worden gedaan in de schoolse- of thuissituatie.

Door al de informatie te bundelen wordt een zo volledig mogelijk beeld gevormd van het kind en de situatie. Dit is van belang omdat goed moet worden gekeken of er sprake is van autisme of dat het een andere stoornis zou kunnen zijn. De persoon die de diagnose geeft is een GZ-psycholoog, (kinder- en jeugd)psychiater, kinder- en jeugdpsycholoog of een OG (erthopedagoog-generalist)gespecialiseerde pedagoog.

WAT BETEKENT HET ALS JE AUTISME HEBT?

Hoe het is om autisme te hebben en wat dat voor iemand en zijn omgeving betekent is voor iedereen anders. Veel verschillende aspecten (zowel interne (karakter) als externe (omgeving) factoren) bepalen de mate waarin een persoon last heeft van de stoornis. Hierdoor verschilt de uitingsvorm van autisme bij ieder persoon en kan het per persoon verschillen waar iemand moeite mee heeft. Een aspect waar de meeste kinderen met autisme moeite mee hebben is de sociale interactie. Het inschatten van het gedrag en gevoel van anderen is vaak beperkt, waardoor het lastig is aansluiting te vinden

met leeftijdsgenootjes. Dit kan ervoor zorgen dat kinderen met autisme moeite ervaren met sporten, het aangaan van relaties en later in het vinden van werk. Omdat dit lastig kan zijn kan dit gevolgen hebben voor de emotionele ontwikkeling, het zelfbeeld van het kind.

Van ouders die een kind hebben met autisme wordt veel gevraagd in de opvoeding. Vaak hebben ouders voordat de diagnose is gesteld al veel moeilijke momenten moeten doorstaan. Als er een diagnose gesteld wordt kan dat een bevestiging zijn. Dit kan gepaard gaan met veel verschillende gevoelens zoals opluchting, verdriet of boosheid. Na de diagnose is er vaak behoefte aan verwerking, het beter kunnen begrijpen van het kind en het beter leren omgaan met hun kind. Dit kan in de vorm van psycho-educatie (voorlichting), het praten met andere ouders of het krijgen van individuele begeleiding. Wat iemand nodig heeft verschilt per persoon.

WAT KUN JE DOEN AAN AUTISME?

Autisme is niet te genezen, het gaat niet over. Je kunt wel leren omgaan met autisme. Dit geldt zowel voor de persoon die autisme heeft als voor de personen in zijn of haar omgeving. Om goed om te leren gaan met autisme is het van groot belang deskundige hulp te krijgen zodat de ontwikkeling van een kind zo min mogelijk wordt beperkt. Door de juiste begeleiding kan het kind zich optimaal ontwikkelen en kan een eventuele achterstand worden beperkt.

Het is van belang op zoek te gaan naar mogelijkheden die uitnodigt tot het ontwikkelen van vaardigheden en daarbij de sociale omgeving versterkt. Positieve ervaringen vergroten het gevoel van eigenwaarde en verlaagt de sociale angst. Hierbij is het van belang te denken in mogelijkheden en kansen in plaats van in belemmeringen. Wat een kind met autisme moeilijk vindt is te leren met hulp. Wat hij of zij echt niet kan, zal moeten worden geaccepteerd.